Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4488

Datum uitspraak2004-10-20
Datum gepubliceerd2004-10-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/4446 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overname van de betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de WW betreffende niet opgenomen vakantiedagen.


Uitspraak

02/4446 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij de Unie, de vakbond voor industrie en dienstverlening, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam, reg.nr. AWB 01/4211 WW, op 29 juli 2002 gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 september 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.L. Zondervan, werkzaam bij de Stichting Utrechtse Juristengroep, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Verberne, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidwet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is vanaf 14 juni 1999 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam geweest als internationaal chauffeur bij Emitrans Europe B.V. (verder: werkgever of Emitrans). Deze werkgever is bij vonnis van de rechtbank Breda van 4 juli 2000 in staat van faillissement verklaard, waarna bij brief van 10 juli 2000 door de curator de dienstbetrekking is opgezegd. Appellant heeft gedaagde verzocht om op grond van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van Emitrans, waaronder de betaling van 26 niet opgenomen vakantiedagen, over te nemen. Bij het bestreden besluit van 16 april 2002 heeft gedaagde beslissende op het bezwaar van appellant tegen het besluit van gedaagde van 8 december 2000, onder meer aan appellant een vergoeding voor 14 niet opgenomen vakantiedagen verstrekt. De rechtbank heeft het namens appellant tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag hoeveel vakantiedagen voor overneming door gedaagde in aanmerking komen. De Raad overweegt hiertoe als volgt. Appellant blijft zich ook in hoger beroep op het standpunt stellen dat hij in de periode hier van belang geen enkele vakantiedag heeft opgenomen en derhalve recht heeft op een vergoeding van 26 vakantiedagen. De Raad merkt naar aanleiding daarvan op dat appellant geen enkel gegeven heeft overlegd noch enige onderbouwing heeft gegeven met betrekking tot dat standpunt. Dat standpunt berust op de loutere ontkenning van het aantal door de curator genoemde niet opgenomen vakantiedagen. Van appellant kan echter ten minste een begin van bewijs voor zijn stellingen worden verwacht, mede gelet op het feit dat hij zich op het weinig geloofwaardige standpunt heeft gesteld dat hij in de periode van 1 jaar voorafgaand aan het faillissement in het geheel geen vakantie heeft genoten. Met de rechtbank is de Raad, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, van oordeel dat gedaagde voor de vaststelling van de vakantiedagen heeft mogen afgaan op de opgave van de curator, uit welke opgave blijkt dat Emitrans een overzicht heeft verstrekt van de tegoeden van vakantiedagen van een vijftal chauffeurs die daar in dienst waren waaronder appellant. Ook de Raad ziet onvoldoende reden om die opgave in twijfel te trekken. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) P. Boer. RB1910